|
|
%
|
De foutenmarge is
de grootte van de fout die je toelaat. Wanneer 90% van de respondenten ja
antwoorden en 10% neen, dan kun je een grotere fout
toelaten dan wanneer de respondenten het grondig oneens zijn, zoals bij
50-50 of 45-55.
Een
kleine foutenmarge vereist een grotere steekproef.
|
|
Typische
keuzes zijn 90%, 95%, of 99%.
|
%
|
Het
betrouwbaarheidsniveau is de mate van onzekerheid die je wil toelaten.
Bij 95% dien je 1.96 keer de standaardfout op te tellen en af te
trekken waardoor je ongeveer 95% van alle mogelijke resultaten omvat
die bij een herhaalde steekproeftrekking zouden zijn voorgekomen.
Een hoger
betrouwbaarheidsniveau vereist een grotere steekproef.
|
|
Als
je dit niet weet, gebruik dan 20000.
|
|
Hoeveel mensen zijn
er voorhanden om, op toevallige wijze, een steekproef uit te trekken?
De steekproefgrootte wijzigt niet veel voor populaties die groter zijn
dan 20000.
|
|
De
meest conservatieve keuze is 50%.
|
%
|
Welk resultaat
verwacht je voor elke vraag? Wanneer de antwoorden uit de steekproef
nogal fel in eenzelfde richting wijzen, dan is dit wellicht ook zo in
de populatie. Wanneer je dit niet weet, gebruik dan 50%. Zo verkrijg je
de maximale steekproefgrootte.
|
| De vereiste
steekproefgrootte is |
|
|